Meer informatie? Kom in contact.
-
-
Laura van der Noort
Sr. Adviseur
+31 (0)6 39 83 31 54
laura.van.der.noort@dwtm.nl
Vragen
5. Prijspeil en verloop daarvan in de tijd
Er wordt aangegeven dat met het prijspeil wordt gerekend van het jaar waarin de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet. Mogen we veronderstellen dat dit geldt voor investeringen, maar dat voor lopende kosten zoals onderhoud, huurverhoging en energieprijzen wel rekening wordt gehouden met toekomstige kostenveranderingen?
6. Representativiteit voorbeeldwoningen
Er wordt een aantal voorbeeldwoningen uit een gebied gekozen. Wanneer is dat voldoende? Moet dit de 70% dekken, of een bepaalde mate van representativiteit voor het gebied? Wordt er voor het bepalen van de 70% rekening mee gehouden dat mensen met een lager gasverbruik dan het gemiddelde voor de voorbeeldwoning, meestal een langere terugverdientijd hebben?
7. Toepassing van gevoeligheidsanalyses
De RGIW geeft waarden om gevoeligheidsanalyses mee te doen. Waar zijn die voor? Mag een gebied worden aangewezen als de gevoeligheidsanalyses uitwijzen dat betaalbaarheid binnen een bepaalde de marge ligt?
8. Kosten voor koken
In de Rgiw staat herhaaldelijk dat kosten voor een inductiekookplaat en pannenset zijn inbegrepen bij de investeringskosten. Maar bij financieringskosten (paragraaf 2.4) staat: ‘De jaarlijkse kosten worden berekend volgens een annuïteit. Onder het investeringsbedrag worden alle investeringskosten meegenomen die worden gemaakt voor het aardgasvrij maken van een woning (zie paragraaf 2.1), met uitzondering van de inductiekookplaat en pannenset.’ Wordt daarmee bedoelt dat de financieringskosten van inductiekookplaat en pannenset helemaal niet worden meegenomen of deze niet volgens annuïteit worden berekend?
De rekenregels voor betaalbaarheid in de RGIW zijn cruciaal voor de voortgang van de warmtetransitie. Als deze geen realistisch beeld geven, is ofwel de betaalbaarheid voor inwoners is niet goed beschermd, ofwel het wordt voor gemeenten vrijwel onmogelijk om wijken (met de aanwijsbevoegdheid) aardgasvrij te maken.
Namens De WarmteTransitieMakers hebben we een aantal kanttekeningen bij de voorgestelde rekenmethodiek en kengetallen. Daarnaast hebben we een aantal vragen die in onze ogen meer verduidelijking nodig hebben.
Opmerkingen bij de methodiek en kengetallen
1. Lage gasprijzen
De voorgestelde gasprijzen in de RGIW stijgen relatief weinig richting 2040. In ETS2 neemt het aantal emissierechten jaarlijks met 5,38 procent af. Dit betekent dat bij ongewijzigd beleid de laatste emissierechten in 2043 worden geveild. Hoe kan aardgas in 2040 dan nog zo betaalbaar zijn? Wellicht gaat u uit van een ruimte beschikbaarheid van groen gas, echter die toekomstige beschikbaarheid is onzeker, en ook dan lijken de voorgestelde prijzen laag.

Bron: Het ETS2 en de gevolgen voor Nederlandse huishoudens, PBL, 2026
2. Gebruik referentiescenario met gas
Er wordt gewerkt ten opzichte van een referentiescenario, waarin de woning aangesloten blijft op methaangas. Zowel uit de afbouw van emissierechten in ETS 2 (zie hierboven) als uit de Klimaatwet volgt dat aardgas richting 2044-2050 überhaupt niet meer (of zeer beperkt) beschikbaar komt voor huishoudens. In de RGIW-rekenregels worden kosten en baten beoordeeld over de levensduur van de investering, en die is vaak 30 jaar (deze werkwijze vinden we op zich terecht). Dat betekent dat er wordt vergeleken met een referentie die gedurende een deel van de doorgerekende periode (30 jaar) niet beschikbaar is. Een onrealistische vergelijking.
3. Woningwaarde niet meegenomen
U neemt toegenomen woningwaarde niet mee als baat voor de woningeigenaar, ondanks dat u zelf in 2.6.4 van de toelichting verwijst naar onderzoek dat deze stijging onderbouwt.
Zeker als de verduurzaming komt met zaken als de mogelijkheid tot koelen, vermindering van tocht of vloerverwarming, weerspiegelt de gestegen woningwaarde een reële kwaliteitsverbetering van de woning. Bij verkoop komt de gestegen woningwaarde rechtstreeks de woningeigenaar ten goede. Waarom wordt dit niet als baat voor de woningeigenaar beschouwd.
4. Inpandige kosten
Er worden steeds meer onderzoeken gedaan naar de daadwerkelijke inpandige kosten bij een warmtenet (onderzoeken van onder meer gemeente Den Haag, Rotterdam en Amsterdam). Het bedrag uit Tabel 4 lijkt daarbij laag ingeschat.